Ineens heb je iets te kiezen
Linux geeft je vrijheid. Dat klinkt prachtig, totdat je ontdekt dat vrijheid betekent dat niemand je meer vertelt wat je moet kiezen. Eergisteren vroeg mijn broertje naar mijn ervaringen met Linux en mijn mening erover. Hij wil, net als ik, zo veel mogelijk loskomen van de afhankelijkheid van de grote techbedrijven. Niet omdat hij een hekel heeft aan technologie, maar omdat hij niet graag afhankelijk is van beslissingen die ergens anders op de wereld worden genomen. Hij wil niet op een ochtend ontdekken dat een geopolitiek incident betekent dat zijn digitale gereedschap ineens minder bruikbaar is. Hij gebruikt Linux Mint met Cinnamon en mijn eerste reactie was voorspelbaar. Ik wilde hem bijna onmiddellijk vertellen dat NixOS met Hyprland natuurlijk veel flexibeler is en dat je daarmee werkelijk alles naar je hand kunt zetten. Gelukkig dacht ik even na. Want Linux Mint met Cinnamon is voor hem waarschijnlijk precies de juiste keuze. Het is volwassen, overzichtelijk en voelt voor iemand die geen techneut is meteen vertrouwd aan. Dat is misschien wel belangrijker dan alle vrijheid die technisch gezien beschikbaar is.
“Vrijheid begint niet bij alles zelf kunnen kiezen, maar bij kunnen kiezen wat bij je past.”
De luxe van één knop
En daarmee komen we bij iets wat Linux/Open-source veel duidelijker maakt dan ik aanvankelijk dacht. De grootste verandering zit voor veel mensen namelijk niet in het besturingssysteem, maar in de wereld aan keuzes die erachter vandaan komt. De meeste mensen werken met Microsoft en dan is Outlook simpelweg de logische keuze voor mail en agenda. Voor tekstverwerking en spreadsheets geldt hetzelfde verhaal. Een document versturen betekent al snel een document met de extensie .docx maken. Je logt in op je account en vervolgens lijkt alles vanzelf op zijn plaats te vallen. Je mail staat klaar, je agenda is gekoppeld, videobellen werkt met een andere gebruiker van hetzelfde ecosysteem en bestanden verschijnen keurig op je andere computer. Ook instellingen worden vrolijk gesynchroniseerd. Dat is buitengewoon handig. Het is zelfs zo handig dat je gemakkelijk vergeet hoeveel afzonderlijke keuzes daarachter verborgen zitten. Mail en agenda zijn bijvoorbeeld twee verschillende zaken, maar binnen een gesloten ecosysteem hoef je daar nauwelijks over na te denken. Open-source trekt dat gordijn weg en zegt vriendelijk: succes ermee. Ineens moet je bedenken welke mailclient je wilt, welke agenda-app daarbij past en waar je bestanden eigenlijk wilt synchroniseren. We blijken vrijheid op technologisch gebied soms zelfs een beetje verdacht te vinden.
“Het grootste gemak is soms dat je niet hoeft te weten hoeveel keuzes er voor je zijn gemaakt.”
Een overvloed aan goede ideeën
Voor iemand die gewend is aan één geïntegreerd ecosysteem kan dat behoorlijk verwarrend zijn. Linux werkt veel vaker vanuit standaarden en losse toepassingen die ieder één taak goed uitvoeren. Er bestaan standaardprotocollen voor mail, agenda en bestandssynchronisatie en je kunt zelf bepalen welke programma’s je daarvoor gebruikt. En bij wie. Dat is technisch gezien prachtig. Praktisch gezien kan het voelen alsof je voor iedere kamer in je eigen huis opnieuw een sleutel moet aanvragen. Ik heb voor Anzers onderzoek gedaan naar de beste keuzes voor klanten die naar open source software willen overstappen. Alleen al voor e-mail kwam ik zeventien kandidaten tegen, terwijl ik mijn selectie vooraf al behoorlijk had ingeperkt met allerlei voorwaarden. Daarna komen de agenda, bestanden, synchronisatie en alle andere toepassingen nog vrolijk om de hoek kijken. Voor iemand zoals ik is dat interessant. Voor iemand die gewoon zijn mail wil lezen, kan het een crime zijn. Dan krijg je vragen als: waarom moet ik mijn agenda opnieuw instellen als ik al ben ingelogd? Waarom moet ik mij nog aanmelden bij een Nextcloud-synchronisatieprogramma? Mijn computer weet toch dat alles bij Anzers staat? En daar zit een belangrijke les voor organisaties die mensen naar open source willen begeleiden. Je maakt een gebruiker niet vrij door hem zeventien mogelijkheden te geven en vervolgens te zeggen dat hij zelf maar even moet uitzoeken welke het beste zijn. Vrijheid zonder begeleiding kan verdacht veel lijken op klantenservice. Misschien moeten we daarom bij technologie niet alleen vragen hoeveel keuze we mensen geven, maar ook hoeveel keuze ze daadwerkelijk aankunnen.
“Als je iemand zeventien goede keuzes geeft, heb je hem niet per se geholpen.”
NUL A in de praktijk
Maar ergens onderweg gebeurt er nog iets interessants. Het gaat niet alleen meer over software. Open-source heeft mij opnieuw laten nadenken over wat Ae Van Voght maar even het NUL A denken noemt: niet Aristotelisch denken. In het Aristotelische denken zijn tegenstellingen overzichtelijk. Iets is waar of niet waar. Rood of zwart. Dit of dat. Het is een manier van denken die ontzettend handig kan zijn wanneer je een probleem wilt ordenen. Alleen is de werkelijkheid nogal slecht in zich aan die indeling houden. Zeker als het over mensen en hun keuzes gaat. We zijn in de loop van de tijd misschien vergeten dat verschillende mensen vanuit verschillende omstandigheden tot verschillende, maar volkomen verdedigbare keuzes kunnen komen. In technologie zie je dat bijna pijnlijk duidelijk. Ik ben van Betterbird naar Thunderbird gegaan omdat ik de interface van Thunderbird prettiger vind. Een ander vindt diezelfde interface verschrikkelijk en kiest daarom voor Betterbird. Sommigen zweren bij Evolution en hebben daar uitstekende redenen voor. Imand anders vindt Apple Mail een logische mailclient. Mijn broertje kiest Linux Mint Cinnamon, terwijl ik zelf NixOS met Hyprland draai en daar ook nog eens een zwaar aangepaste omgeving bovenop heb gezet. Er is dus niet één juiste Linuxoplossing, net zomin als er één juiste waarheid hoeft te zijn voor iedereen. Dat is geen relativisme waarin alles maar even waar is. Het betekent dat een keuze betekenis krijgt binnen de context van degene die haar maakt. En misschien is dat precies wat NUL A denken ons kan leren: voordat je een andere keuze afwijst, moet je eerst begrijpen vanuit welke werkelijkheid die keuze logisch is.
“Een andere keuze is niet automatisch een verkeerde keuze.”
Eerst begrijpen, dan oordelen
Dat klinkt misschien als een tamelijk onschuldige gedachte over computers, maar ik denk dat hier iets veel groters onder zit. In onze maatschappij zijn we steeds sneller geneigd om keuzes van anderen te beoordelen zonder eerst te begrijpen waarom iemand die keuze heeft gemaakt. We zien de uitkomst, vergelijken die met onze eigen voorkeur en trekken vervolgens de conclusie dat de ander het verkeerd heeft aangepakt. Dat is eigenlijk nogal merkwaardig. Als ik jouw keuze voor een mailclient niet begrijp, weet ik nog helemaal niet of jouw keuze slecht is. Ik weet alleen dat ik haar niet begrijp. Dat verschil lijkt klein, maar het is enorm. Om iemand te kunnen veroordelen, zou je op zijn minst moeten weten welke informatie, ervaringen, belangen en voorkeuren tot die keuze hebben geleid. Pas als je die common ground hebt gevonden, kun je een serieus gesprek voeren over de vraag of een andere keuze misschien beter zou werken. Dat geldt voor software, maar net zo goed voor de manier waarop mensen werken, leven en hun wereld inrichten. Het vraagt bovendien iets wat we verleerd lijken te zijn: accepteren dat jouw waarheid niet noodzakelijk mijn waarheid is. Niet omdat waarheid er niet toe doet, maar omdat mensen verschillende uitgangspunten hebben. Misschien is het daarom wel gezonder om bij een afwijkende keuze eerst te vragen: vertel eens, hoe ben je hier uitgekomen? Dat levert waarschijnlijk meer op dan onmiddellijk uitleggen waarom jij het beter weet.
“Ik kan pas zeggen dat je ongelijk hebt als ik eerst begrijp waarom jij gelijk hebt.”
For now
En misschien is dat uiteindelijk de interessantste kant van technologie. Niet dat we eindelijk zelf kunnen bepalen welke software we gebruiken, maar dat technologie ons confronteert met iets wat we maatschappelijk zijn gaan vergeten: kiezen is iets wat mensen doen. We zijn gewend geraakt aan systemen die de keuzes grotendeels voor ons maken. Een bedrijf bepaalt welke programma’s bij elkaar horen, waar onze gegevens staan en hoe wij geacht worden te werken. Dat is comfortabel, voorspelbaar en efficiënt. Zo comfortabel zelfs dat we het soms vreemd vinden wanneer een systeem ineens vraagt wat wij eigenlijk zelf willen. Open-source haalt dat gemak deels weg en geeft ons de keuze terug. Daarmee legt het ook bloot hoe afhankelijk we zijn geworden van voorgeselecteerde antwoorden. Maar hetzelfde geldt buiten de computer. We lijken steeds vaker te verwachten dat er één juiste manier bestaat om iets te doen, en wanneer iemand daarvan afwijkt, zoeken we onmiddellijk naar een oordeel. Misschien moeten we opnieuw leren leven met het ongemak van meerdere geldige keuzes. Dat betekent niet dat iedere keuze verstandig is of dat kritiek verboden zou moeten zijn. Het betekent dat begrip voorafgaat aan veroordeling. Voor mij is het evident dat ik blij word van keuzes, maar ik snap inmiddels ook beter dat een ander vooral blij wordt als iemand zegt: gebruik deze maar, dan werkt het gewoon. Ook dát is een legitieme voorkeur. De echte vrijheid zit daarom misschien niet in het aantal opties, maar in het vermogen om bewust te kiezen én de keuze van een ander te begrijpen. Uit onderzoek, zowel van mij als van anderen, blijkt dat we het belangrijk vinden om invloed te hebben op hoe we werken en leven, maar ondertussen doen we verrassend weinig om die invloed daadwerkelijk vorm te geven. We zijn vergeten dat kiezen niet alleen een recht is, maar ook een verantwoordelijkheid. En dat gevoel dat er iets moet gebeuren, verdient dus actie. Niet morgen, niet zodra de techniek perfect is, maar bij de eerstvolgende keuze die je maakt.
“Vrijheid betekent niet dat iedereen dezelfde keuze maakt, maar dat we elkaar de ruimte geven om bewust een andere te maken.”
