Nederland houdt van verbazing veinzen. We doen alsof de stikstofcrisis in 2019 uit de lucht kwam vallen, ergens tussen een uitspraak van de Raad van State en het eerste trekkerkonvooi op de A1. Maar wie de archieven induikt, vindt iets ongemakkelijkers. Dit probleem stond al klaar toen onze grootouders nog op de bon leefden. Het heeft acht decennia liggen wachten tot iemand de rekening zou opmaken, en nu ligt die rekening, met rente, gewoon op tafel. Dit is het verhaal van hoe een land dat ooit zijn koeien moest wegsturen om aardappelen te kunnen planten, uitgroeide tot een van de meest veedichte plekken op aarde, en waarom niemand daar in zijn eentje de schuld van krijgt.
Boter, kaas en een wereldoorlog
We beginnen in de jaren veertig, en niet omdat het toevallig een rond getal is. Tijdens de Tweede Wereldoorlog gaf de Nederlandse overheid boeren de opdracht om hun veestapel juist te verkleinen, zodat er meer grond overbleef voor aardappelen en graan. Het Rijksbureau voor Voedselvoorziening in Oorlogstijd regisseerde die omschakeling, met extra voedselbonnen als troostprijs voor de boer die zijn koeien moest inleveren. Het is een merkwaardig gegeven om mee te openen, want het toont dat een krimpende veestapel ooit heel normaal, en zelfs beleid, was.
Van schaarste naar overvloed was daarna een kwestie van decennia, niet van eeuwen. De jaren vijftig en zestig brachten wederopbouw, mechanisatie en een onuitgesproken belofte, namelijk dat groei per definitie vooruitgang was. Tegen het einde van de jaren zestig verschenen de eerste wetenschappelijke publicaties over mestoverschotten, met droge titels als Mestoverschotten, een potentiële bron van milieuverontreiniging uit 1970. Niemand las ze aan de keukentafel, maar de klok tikte al wel.
We hebben de koe niet gestraft omdat ze te veel gaf, we hebben haar beloond met een buurvrouw, en toen nog een, en toen nog een.
De jaren zeventig waarschuwen al
Dan de jaren zeventig, het decennium waarin het eerste officiële papierwerk verscheen dat je moeilijk nog een verrassing kunt noemen. De Urgentienota Milieuhygiëne uit 1972, opgesteld door het kersverse ministerie van Volkshuisvesting en Milieuhygiëne, erkende zwart op wit dat er plaatselijk mestoverschotten waren en dat verdere groei van de veestapel uit milieukundig oogpunt onwenselijk was. Het ministerie zette wel zijn hoop op technische snufjes en mestbanken, iets wat achteraf een beetje klinkt als hopen dat een emmer met een gat er gewoon aan zal wennen.
Boeren zelf werden in diezelfde jaren al gewaarschuwd voor een naderende mestcrisis, blijkt uit latere terugblikken. Het CBS concludeerde later dat de mineralenoverschotten tot 1986 bleven stijgen door de intensivering van de landbouw, terwijl de eerste concrete beleidsmaatregelen pas in 1984 kwamen. Tussen het signaal en de actie zat dus al meer dan een decennium speling, en dat gat zou nog veel groter worden. Het is het patroon dat je door dit hele verhaal blijft herkennen, namelijk dat kennis en beleid nooit gelijk opliepen.
De wetenschap fluisterde, de politiek stopte watjes in haar oren, en de boer moest intussen gewoon melken.
Jaren tachtig en negentig, het bewijs stapelt zich op
In de jaren tachtig werd ammoniak eindelijk met naam en toenaam genoemd als serieus milieuprobleem, en dat is niet niks voor een gas dat je niet ruikt tenzij je er middenin staat. Vakbladen als Boerderij en Veeteelt schreven al over de noodzaak om emissies te verminderen, en het RIVM wees op schadelijke effecten van stikstofdepositie op natuurgebieden. De jaren negentig volgden met echte instrumenten in plaats van goede bedoelingen. De Europese Nitraatrichtlijn van 1991 verplichtte lidstaten om iets te doen aan vervuiling door nitraten, de Meststoffenwet werd aangescherpt, en in 1998 kwam het Mineralen Aangiftesysteem, kortweg MINAS, waarbij bedrijven met te veel mineralenoverschot gewoon een rekening kregen.
Sommige boeren investeerden in emissiearme stallen en injectietechnieken voor mest, anderen voelden zich, niet geheel onterecht, voor de zoveelste keer als proefkonijn van een systeem dat zij niet hadden ontworpen. Onderstaande tabel laat zien hoe de veestapel per inwoner in die jaren gestaag bleef groeien, ook nadat de eerste alarmbellen al hadden geklonken.
| Decennium | Landbouwhuisdieren per inwoner (indicatie) | Aandeel landoppervlak voor veeteelt | Aandeel BBP uit landbouw |
|---|---|---|---|
| 1950 | circa 2,7 | onbekend | circa 14% |
| 1960 | circa 4,2 | onbekend | dalende trend |
| 1970 | circa 5,0 | onbekend | dalende trend |
| 1980 | circa 6,7 | circa 29% | dalend richting 5 à 8% |
| 1990 | circa 7,4 | circa 30% | dalende trend |
| 2000 | circa 7,6 | circa 30% | circa 2,8% |
Wat opvalt is de tegenstelling in die cijfers. Het economische gewicht van de landbouw in Nederland kromp gestaag, van veertien procent van het BBP in 1950 naar nog geen drie procent rond de eeuwwisseling, terwijl het fysieke aantal dieren juist bleef stijgen. De boer werd dus, in economische zin, steeds minder belangrijk voor Nederland als geheel, en moest tegelijk steeds meer produceren om het hoofd boven water te houden. Dat is geen recept voor rust, dat is een recept voor een systeem dat zichzelf steeds harder moet laten draaien om op dezelfde plek te blijven staan.
Meer koeien voor minder geld, dat is geen groei, dat is hardlopen op een tredmolen die iemand anders heeft ingesteld.
Wie zat er eigenlijk aan het stuur
Hier wordt het ongemakkelijk, en terecht. De grote veestapel is de directe oorzaak van de stikstofuitstoot die nu Natura 2000 gebieden onder druk zet, dat staat buiten kijf. Maar de boer die deze koeien molk, was zelden de architect van dit systeem. Banken die schaalvergroting financierden en beloonden, zoals de Rabobank decennialang deed, gaven het signaal dat groter altijd beter was. Overheden schoven pijnlijke keuzes voor zich uit, van 1972 tot ver in de jaren negentig, en lieten technische lapmiddelen doorgaan voor structurele oplossingen. En de burger, de gewone Nederlander in de supermarkt, koos week na week voor het goedkoopste pak melk en het voordeligste stukje vlees, zonder erbij stil te staan dat die lage prijs alleen mogelijk was door precies de intensivering die nu zo hard wordt afgestraft.
De boer stond dus klem tussen een bank die groei aanmoedigde, een overheid die te laat ingreep, en een consument die zijn portemonnee liet spreken. Dat maakt de boer geen onschuldige omstander, maar wel iemand die evenzeer slachtoffer is geworden van een systeem waar hij zelf nooit de regels van heeft opgesteld.
Niemand vroeg de boer om schuldig te zijn, iedereen vroeg hem alleen om te leveren.
Voor nu
De laatste twintig jaar kennen we allemaal, met de PAS, de uitspraak van de Raad van State in 2019 en de tractors op het Malieveld. Die rekening kwam niet uit het niets, hij was gewoon lang uitgesteld. Het is net een schuld die je jarenlang laat oplopen, af en toe een aflossing overslaat en denkt dat het later wel goedkomt, tot de deurwaarder op een dag alles in één keer terugvraagt.
Uit onderzoek, van mijzelf en van vele anderen die dit dossier al decennia volgen, blijkt dat we het allemaal belangrijk vinden, maar dat we intussen weinig doen. Dat gevoel dat er iets moet gebeuren, dat verdient nu eindelijk actie, niet nog een rapport.
We wisten het in 1972, we wisten het in 1991, en nu doen we alsof het nieuws is.
Bronnen
- Rijksbureau voor Voedselvoorziening in Oorlogstijd, Wikipedia
- Historici.nl, dossier Ecogeschiedenis, milieupolitiek in historisch perspectief
- Overland.nl, over de Urgentienota Milieuhygiëne 1972
- HBP Media, Boeren al sinds jaren 70 gewaarschuwd voor mestcrisis
- NOS, Het stikstofprobleem is echt Nederlands, uitgelegd in acht grafieken
- NRC, De stikstofcrisis uitgelegd
- Vistikhetmaar.nl, Het stikstofprobleem in Nederland
- Milieudefensie Jong, De stikstofcrisis, hoe de boeren klem zijn komen zitten
- De Telegraaf, Stikstofcrisis gaat niet over stikstof
- Partij voor de Dieren, bijdrage Wassenberg over mestbeleid
- PBL, Stikstof en natuuraanpak in Nederland
- Wikipedia, Mestoverschot in Nederland
- Wikipedia, Mineralenboekhouding
- CBS, Dierlijke mest, productie, transport en gebruik, kerncijfers 1950 tot 2013 (StatLine 80408NED)
- CBS/Compendium voor de Leefomgeving, Ontwikkeling veestapel op landbouwbedrijven, 1980 tot 2024
- CBS, Grasland, oppervlakte en opbrengst
- CBS, De landbouw in de Nederlandse economie (longread)
- CBS, Productiewaarde land en tuinbouw, 1995 tot 2015 (CLO)
- Wageningen Economic Research / WUR, diverse publicaties over grasland en landbouwareaal
- CPB, De Nederlandse economie in historisch perspectief
